Op 22 mei 2025 deed de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak in een geschil over de BPM bij de import van een gebruikte auto (ECLI:NL:RBNNE:2025:1977). Wat begon als een technische discussie over de juiste waardering van een voertuig, eindigde in een uitspraak die mogelijk veel stof doet opwaaien. Vooral de manier waarop de rechtbank omgaat met artikel 110 VWEU en de eisen rondom typegoedkeuring en gelijksoortigheid roept vragen op.
Waar de Hoge Raad recent nog een duidelijke lijn uitzette, lijkt de rechtbank hier toch haar eigen koers te varen. En dat zorgt voor verwarring, maar ook voor kansen.
Wat speelde er?
Een belastingplichtige had een gebruikte auto geïmporteerd. De Belastingdienst verwierp deze aangifte omdat het referentievoertuig volgens hen niet voldoende overeenkwam met de geïmporteerde auto.
Centraal stond de vraag: wanneer is een referentievoertuig “gelijksoortig” in de zin van de wet en artikel 110 VWEU?
Wat zegt de rechtbank?
De rechtbank wijkt op een belangrijk punt af van wat we tot nu toe gewend zijn. Ze oordeelt dat een verschil in typegoedkeuring, inclusief een ander uitbreidingsnummer, niet automatisch betekent dat het voertuig niet gelijksoortig is. Daarmee laat ze meer ruimte om voertuigen op basis van feitelijke kenmerken te vergelijken, zoals merk, uitvoering en motorisering, ook als de formele goedkeuringsnummers verschillen.
Dat is opvallend, want de Hoge Raad stelde vorig jaar nog dat wél exact dezelfde EU-typegoedkeuring vereist is. Die uitspraak had juist tot doel meer rechtszekerheid te bieden, door vast te houden aan objectieve, technische criteria.
Artikel 110 VWEU als zelfstandig anker
De rechtbank benadrukt bovendien dat artikel 110 VWEU, dat fiscale discriminatie van buitenlandse producten verbiedt, rechtstreeks kan worden ingeroepen, ook als nationale regels daar geen ruimte voor bieden. Als een belastingplichtige aantoont dat zijn voertuig zwaarder wordt belast dan een vergelijkbare binnenlandse auto, dan moet dat worden gecorrigeerd.
Dat betekent dat artikel 110 VWEU in deze benadering niet slechts een vangnet is, maar een zelfstandig ijkpunt voor de rechtmatigheid van de BPM-heffing.
Praktische gevolgen
Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor de BPM-praktijk:
- Belastingplichtigen hebben meer ruimte om een gunstige taxatie aan te tonen, zelfs zonder exacte technische overeenstemming.
- Artikel 110 VWEU krijgt een prominentere rol als rechtsgrond voor lagere BPM-heffing.
- Taxateurs en adviseurs kunnen breder zoeken naar referentieauto’s, mits onderbouwd met objectieve waardebepalingen.
De vrijheid die de rechtbank hier aanreikt, kan in bezwaarprocedures strategisch worden benut.
Maar er is ook reden tot voorzichtigheid
Tegenover die kansen staan ook juridische zorgen. De benadering van de rechtbank staat niet geheel in lijn met de recente uitspraak van de Hoge Raad, die duidelijk striktere eisen stelde aan gelijksoortigheid. Het is dus onzeker of hogere rechters deze koers zullen volgen of juist terugfluiten.
Belastingplichtigen doen er verstandig aan om zich goed bewust te zijn van dit spanningsveld. Want hoewel deze uitspraak op papier gunstig lijkt, is het niet gegarandeerd dat deze benadering standhoudt in hoger beroep of cassatie.
Conclusie
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland opent de deur naar een soepelere BPM-taxatie op basis van het Europese recht. Tegelijkertijd wijkt ze op cruciale punten af van de lijn van de Hoge Raad. Dat maakt het dossier BPM opnieuw onderwerp van discussie en voorlopig nog geen uitgemaakte zaak.
Voor wie actief is in automotive, fiscaliteit of bezwaarprocedures laat je deugdelijk adviseren op dit punt en vaar niet blind op de eerste de beste uitspraak. Voor wie actief is bij bijvoorbeeld de Belastingdienst of rechtspraak, zorg alsjeblieft eens voor duidelijkheid voor de ondernemers in automotive land. Uitspraken als deze zorgen weer voor een hoop onzekerheid en mogelijk veel procedures.

