Recht Zeker

DGA en fiscale eenheid btw: verhuur aan eigen BV


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-09-01

Als DGA die ruimtes in zijn eigen woning verhuurt aan zijn BV, kun je onderdeel zijn van de fiscale eenheid btw. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft dit recent bevestigd in een zaak waarbij een DGA zijn garage en werkruimtes ter beschikking stelde aan zijn vennootschap. Die uitspraak heeft directe gevolgen voor hoe jij als DGA je btw-positie moet beoordelen.

Wat houdt dit in?

Deelname aan de fiscale eenheid btw houdt in dat twee of meer belastingplichtigen voor de btw als één ondernemer worden beschouwd, waardoor onderlinge prestaties buiten de btw-heffing vallen.

In deze zaak verhuurde een DGA zijn garage en werkruimtes — gelegen bij en in zijn eigen woning — aan zijn BV. De belastingdienst betwistte aanvankelijk of de DGA daarmee zelfstandig deelnam aan het economische verkeer. Dat is namelijk een vereiste om als ondernemer voor de btw te kwalificeren, en dus om deel uit te kunnen maken van een fiscale eenheid btw.

De rechtbank oordeelde anders. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant handelt de DGA met deze verhuur wél zelfstandig en neemt hij wél deel aan het economische verkeer. Hij treedt op als verhuurder in een directe contractuele relatie met zijn BV, ontvangt daarvoor een vergoeding en draagt daarmee de kenmerken van een btw-ondernemer. De conclusie: de DGA maakt deel uit van de fiscale eenheid btw. Je kunt de volledige uitspraak raadplegen via Taxlive.

De kern van de redenering zit in de zelfstandigheid. De DGA handelt niet als werknemer of als aandeelhouder wanneer hij ruimtes verhuurt — hij treedt op als een zelfstandige verhuurder die een economische activiteit uitoefent. Dat is genoeg om de drempel voor btw-ondernemerschap te halen.

Wat betekent dit voor jou?

Als DGA die een werkkamer, garage of andere ruimte in zijn privéwoning ter beschikking stelt aan de eigen BV, is dit arrest direct relevant. Je btw-positie is namelijk niet zo eenduidig als je misschien dacht. De fiscus kan — of moet zelfs — jou als onderdeel van de fiscale eenheid btw beschouwen als aan de voorwaarden is voldaan.

Dat heeft praktische gevolgen. Als je deel uitmaakt van de fiscale eenheid btw, gelden onderlinge leveringen en diensten tussen jou en je BV niet als btw-belaste prestaties. Dat kan voordelig zijn, maar kan ook betekenen dat je btw-administratie en je verhuurovereenkomst kritisch tegen het licht moeten worden gehouden.

Omgekeerd geldt: als je buiten de fiscale eenheid valt terwijl je eigenlijk onderdeel zou moeten zijn, loop je het risico dat btw-verplichtingen verkeerd zijn ingevuld. Dat kan leiden tot naheffingen, rente en boetes. Zeker als je al jaren ruimtes verhuurt aan je BV zonder btw te berekenen of zonder de situatie formeel te hebben geregeld, is het verstandig om dit te laten toetsen.

Voor MKB-ondernemers met een BV-structuur is dit een duidelijk signaal: de ter beschikking stelling van ruimtes aan de eigen vennootschap is geen administratief detail, maar een situatie met btw-technische gevolgen die je serieus moet nemen.

Wat kun je doen?

Stap één is vaststellen of jouw situatie vergelijkbaar is met de zaak die voor de rechtbank lag. Stel jezelf de vraag: verhuur jij als DGA ruimtes aan je BV, ontvang je daarvoor een vergoeding en doe je dat op basis van een overeenkomst? Dan is de kans reëel dat jij ook als btw-ondernemer kwalificeert en onderdeel uitmaakt van de fiscale eenheid btw.

Stap twee is het controleren van je huidige btw-administratie. Heb je een huurovereenkomst met je BV opgesteld? Is de verhuur vrijgesteld of belast voor de btw? Heb je je aangemeld bij de Belastingdienst als onderdeel van een fiscale eenheid? Dat zijn allemaal vragen die nu beantwoord moeten worden, niet pas bij een boekenonderzoek.

Stap drie is professioneel advies inwinnen. De btw-regelgeving rondom fiscale eenheden en ter beschikking stelling is technisch. Een kleine fout in de structuur of administratie kan grote financiële gevolgen hebben. Meer informatie over fiscale en juridische begeleiding voor ondernemers vind je op recht-zeker.nl/ondernemen/.

Veelgestelde vragen

Wanneer ben je als DGA onderdeel van de fiscale eenheid btw?

Als DGA maak je deel uit van de fiscale eenheid btw als je zelfstandig economische activiteiten verricht en financieel, organisatorisch en economisch verweven bent met je BV. Het verhuren van ruimtes aan je BV tegen vergoeding kwalificeert als zo’n economische activiteit, zo bevestigde Rechtbank Zeeland-West-Brabant in 2026. Je hoeft niet als directeur-werknemer op te treden — de verhuuractiviteit op zichzelf kan al genoeg zijn.

Moet je btw berekenen over de verhuur van een werkruimte aan je eigen BV?

Verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van btw. Maar als je deel uitmaakt van een fiscale eenheid btw, vallen onderlinge prestaties buiten de btw-heffing — je hoeft dan geen btw te berekenen over de huur die je BV aan jou betaalt. Is er geen fiscale eenheid, dan hangt het af van of je hebt geopteerd voor belaste verhuur. Het is cruciaal om dit vooraf goed te structureren.

Wat zijn de risico’s als je de btw-positie bij verhuur aan je BV niet goed regelt?

Als je btw-verplichtingen verkeerd zijn ingevuld — bijvoorbeeld omdat je ten onrechte buiten de fiscale eenheid bent gebleven of juist ten onrechte geen btw hebt afgedragen — kan de Belastingdienst naheffingen opleggen, verhoogd met belastingrente en eventueel een boete. Dit geldt met terugwerkende kracht over meerdere jaren. Tijdig laten controleren voorkomt veel ellende.

Heb je vragen over de fiscale eenheid btw en de verhuur van ruimtes aan je BV? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-31

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat een belastingplichtige een factuur van maar liefst € 2,2 miljoen niet in aftrek mag brengen als zakelijke kosten. De reden: hij kon niet aantoonbaar maken dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt én dat ze een zakelijk karakter hadden. Dit is een harde les over kostenaftrek en bewijslast die voor iedere ondernemer relevant is. Lees de uitspraak via Taxlive.

Wat houdt dit in?

Kostenaftrek in de vennootschaps- of inkomstenbelasting houdt in dat je zakelijke uitgaven van je belastbare winst mag aftrekken, mits je aannemelijk kunt maken dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt én een zakelijk doel dienen.

In deze zaak lag er een factuur van € 2,2 miljoen op tafel. Groot bedrag, maar de onderbouwing ontbrak volledig. De belastingplichtige kon tegenover de inspecteur niet aantonen dat er werkelijk prestaties waren geleverd die deze factuur rechtvaardigden. Evenmin was duidelijk waarvoor het bedrag precies werd betaald en of dat überhaupt een zakelijke grondslag had.

De inspecteur weigerde de aftrek en de rechtbank gaf hem gelijk. Een ongebruikelijke factuur — groot bedrag, weinig specificatie, twijfelachtige zakelijkheid — is zonder deugdelijk bewijs simpelweg niet aftrekbaar. De bewijslast ligt bij jou als ondernemer, niet bij de Belastingdienst.

Dit klinkt misschien als een uitzonderingssituatie, maar vergis je niet. De Belastingdienst let steeds scherper op hoge of ongebruikelijke kostenposten, zeker als de zakelijkheid niet direct voor de hand ligt.

Wat betekent dit voor jou?

Als MKB-ondernemer betaal je misschien regelmatig facturen aan leveranciers, adviseurs of samenwerkingspartners. Zolang die kosten duidelijk zakelijk zijn en goed gedocumenteerd, is er niets aan de hand. Maar zodra een factuur groot is, weinig gespecificeerd of afkomstig van een partij waarmee de zakelijke relatie niet helder is, loop je risico.

De kern van dit vonnis is dat een factuur op zichzelf geen bewijs is. Een factuur is een document dat iemand kan opstellen. Wat telt, is of de onderliggende prestatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of die prestatie zakelijk relevant is voor je onderneming. Ontbreekt dat bewijs, dan is aftrek van de kosten niet mogelijk.

Dit speelt met name bij betalingen aan gelieerde partijen, buitenlandse dienstverleners of bij zogenaamde managementfees en consultancyvergoedingen waar geen duidelijke tegenprestatie tegenover staat. Juist bij die soort kostenposten vraagt de Belastingdienst steeds vaker om onderbouwing.

Voor directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) is dit extra relevant. Betalingen tussen een holding en een werkmaatschappij, of tussen een BV en privé, worden nauwkeurig bekeken. Een factuur sturen is niet genoeg; er moet een reële dienst of prestatie tegenover staan.

Wat kun je doen?

Zorg dat je administratie op orde is. Dat klinkt simpel, maar in de praktijk schiet het er bij veel ondernemers bij in. Leg per kostenpost vast wat er is geleverd, door wie, wanneer en waarvoor. Bewaar niet alleen de factuur, maar ook offertes, contracten, e-mailcorrespondentie, rapporten of andere stukken die aantonen dat er daadwerkelijk iets is gepresteerd.

Is een kostenpost hoog of ongebruikelijk? Documenteer dan extra zorgvuldig. Beschrijf wat de zakelijke noodzaak is, waarom dit bedrag marktconform is en wat jouw onderneming ermee heeft bereikt. Hoe meer bewijs, hoe sterker je positie bij een eventuele controle.

Betaal je regelmatig managementfees of consultancyvergoedingen aan gelieerde partijen? Laat dan een schriftelijke overeenkomst opstellen die de diensten en de vergoeding beschrijft. En zorg dat die diensten ook feitelijk worden verleend en aantoonbaar zijn.

Twijfel je of een bepaalde kostenpost standhoudend aftrekbaar is, of loop je al tegen een vraag van de Belastingdienst aan? Bekijk dan wat Recht Zeker Advies voor ondernemers kan betekenen. Voorkomen is beter dan achteraf herstellen.

Veelgestelde vragen

Wanneer mag je een factuur aftrekken als zakelijke kosten?

Een factuur is aftrekbaar als zakelijke kosten als je aannemelijk kunt maken dat de onderliggende prestatie daadwerkelijk is geleverd én dat de kosten een zakelijk doel dienen. Alleen een factuur in de administratie hebben is niet voldoende; je moet ook de werkelijkheid achter die factuur kunnen onderbouwen met contracten, correspondentie of andere bewijsstukken.

Wat doet de Belastingdienst als een factuur ongebruikelijk hoog is?

Bij een ongebruikelijk hoge factuur zal de Belastingdienst bij een controle vragen om onderbouwing van de zakelijkheid en de werkelijkheid van de kosten. Als die onderbouwing ontbreekt, kan de inspecteur de aftrek weigeren. De bewijslast ligt bij de ondernemer, niet bij de Belastingdienst.

Kan de Belastingdienst kostenaftrek weigeren als ik een factuur heb betaald?

Ja, dat kan. Betaling van een factuur bewijst niet automatisch dat de kosten zakelijk zijn of dat er een reële prestatie tegenover stond. Rechtbank Den Haag bevestigde in 2026 nogmaals dat de inspecteur aftrek terecht kan weigeren als de zakelijkheid en de werkelijkheid van de kosten onvoldoende zijn aangetoond, ook als de factuur feitelijk is betaald.

Heb je vragen over kostenaftrek of de zakelijkheid van facturen in jouw onderneming? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-28

Kosten aftrekken in de vennootschapsbelasting lukt alleen als je kunt bewijzen dat ze echt zijn gemaakt én zakelijk zijn. De Rechtbank Den Haag maakte dat op 21 juli 2026 opnieuw duidelijk in een zaak over gefactureerde kosten die de fiscus niet accepteerde. Het vonnis raakt direct aan hoe je als ondernemer omgaat met kostenaftrek en de bewijslast in een belastinggeschil.

Wat houdt dit in?

Kostenaftrek in de vennootschapsbelasting houdt in dat een vennootschap zakelijke uitgaven van de winst mag aftrekken, mits zij aannemelijk maakt dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en een zakelijk karakter hebben.

In deze zaak draaide het om een eiseres die een gefactureerd bedrag in aftrek wilde brengen op haar vennootschapsbelasting (Vpb) over 2020 en 2021. De inspecteur weigerde die aftrek. De rechtbank gaf de Belastingdienst gelijk.

De reden is simpel maar hard: de eiseres kon niet aannemelijk maken dat de kosten op de factuur echt waren gemaakt. Laat staan dat ze kon aantonen dat de kosten zakelijk waren. En dat tweede vereiste, het zakelijkheidscriterium, weegt zwaar in de vennootschapsbelasting.

De rechtbank oordeelde ook dat er geen aanleiding was voor verdere vermindering van de aanslagen Vpb over 2020 en 2021. Wel moet de inspecteur de in rekening gebrachte belastingrente verminderen. De volledige uitspraak is te lezen via Rechtspraak.

Wat betekent dit voor jou?

Als MKB-ondernemer met een BV of NV betekent deze uitspraak dat je je kostenonderbouwing serieus moet nemen. Een factuur alleen is niet voldoende bewijs. De Belastingdienst kan altijd vragen: is dit bedrag echt betaald, en wat was het zakelijke doel?

Dat geldt extra sterk bij facturen van gelieerde partijen, zoals een zustervennootschap, een aandeelhouder of een persoon met wie je een nauwe relatie hebt. Bij dit soort transacties is de kans op kritische vragen van de inspecteur aanzienlijk groter. De bewijslast ligt dan nog steviger bij jou.

Ook als je al een aanslag hebt ontvangen en die aanvecht, maakt deze uitspraak duidelijk dat rechters niet snel meegaan zonder concreet bewijs. Procederen zonder goede documentatie is een dure gok.

Gaat het om kosten waarover discussie is ontstaan, dan is het belangrijk te weten dat de belastingrente in dit soort zaken soms wél succesvol kan worden aangevochten, zelfs als de aftrek zelf niet slaagt. Dat is een klein maar relevant detail dat je niet moet laten liggen.

Wat kun je doen?

Zorg dat je voor elke kostenpost in je aangifte vennootschapsbelasting twee vragen kunt beantwoorden: is de betaling aantoonbaar gedaan, en wat was het zakelijke belang? Een factuur is het startpunt, niet het eindpunt van je bewijs.

Leg betalingsbewijzen vast, bewaar e-mails of contracten die de zakelijke achtergrond van een uitgave staven, en documenteer bij ongebruikelijke transacties altijd de reden. Dit hoeft niet omvangrijk te zijn, maar het moet er zijn als de Belastingdienst ernaar vraagt.

Ben je al verwikkeld in een Vpb-geschil over geweigerde kostenaftrek, laat dan beoordelen of de belastingrente correct is berekend. De rechtbank verlaagde die in deze zaak alsnog, wat laat zien dat dit een separate punt van aanval kan zijn.

Wil je weten hoe je kostenaftrek binnen de vennootschapsbelasting correct opbouwt en onderbouwt? Kijk dan op de ondernemerspagina van Recht Zeker Advies voor meer informatie en begeleiding.

Veelgestelde vragen

Wanneer mag je kosten aftrekken in de vennootschapsbelasting?

Kosten zijn aftrekbaar in de vennootschapsbelasting als je kunt aantonen dat ze daadwerkelijk zijn gemaakt en dat ze een zakelijk karakter hebben. Een factuur alleen is niet voldoende; je moet ook kunnen bewijzen dat de betaling heeft plaatsgevonden en wat het zakelijke doel was. Ontbreekt dat bewijs, dan weigert de Belastingdienst de aftrek en bevestigt de rechter die weigering.

Wat is de bewijslast bij een geschil over kostenaftrek Vpb?

Bij een geschil over kostenaftrek in de vennootschapsbelasting ligt de bewijslast bij de belastingplichtige. Je moet aannemelijk maken dat de kosten zijn gemaakt en zakelijk zijn. In sommige gevallen, zoals bij een omkering van de bewijslast, moet je dat zelfs doen blijken, wat een nog zwaardere standaard is.

Kan ik belastingrente terugkrijgen als mijn aanslag Vpb wordt verminderd?

Ja, als een aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd, moet de Belastingdienst ook de in rekening gebrachte belastingrente verlagen. De Rechtbank Den Haag oordeelde in juli 2026 dat de inspecteur dit alsnog moest doen, ook in een zaak waarbij de gevraagde kostenaftrek zelf niet werd toegestaan. Het is dus altijd de moeite waard om de belastingrente apart te laten beoordelen.

Wat gebeurt er als ik geen bewijs heb voor kosten die ik heb opgevoerd in mijn Vpb-aangifte?

Als je geen bewijs kunt overleggen voor kosten in je aangifte vennootschapsbelasting, zal de Belastingdienst de aftrek weigeren. De rechter volgt die weigering als jij niet alsnog aannemelijk kunt maken dat de kosten zijn gemaakt en zakelijk zijn. Je loopt dan het risico op een hogere belastingaanslag én mogelijk belastingrente over het gecorrigeerde bedrag.

Heb je vragen over kostenaftrek in de vennootschapsbelasting of een geschil met de Belastingdienst over je Vpb-aanslag? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-27

Als je als ondernemer btw in rekening brengt op facturen, ben je die btw ook verschuldigd — ook als het OM beslag legt op je bezittingen. Dat bevestigde Rechtspraak in een recente uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 15 juli 2026. De uitkomst is hard, maar de boodschap is helder: je kunt je btw-plicht niet ontlopen met een beroep op omstandigheden buiten jou.

Wat houdt dit in?

Btw-verschuldigdheid bij verkoop houdt in dat een ondernemer die btw vermeldt op een factuur, die btw altijd moet afdragen aan de Belastingdienst, ongeacht of hij die btw ook daadwerkelijk heeft ontvangen of dat derden beslag hebben gelegd op zijn vermogen.

In deze zaak verkocht een ondernemer goederen en bracht daarvoor btw in rekening via facturen. Het OM had inmiddels beslag gelegd op zijn bezittingen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De ondernemer stelde dat hij daardoor niet in staat was de btw te voldoen en dat hij dus niet als belastingplichtige kon worden aangemerkt, of in ieder geval niet aansprakelijk was voor die btw.

Het hof ging daar niet in mee. Op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ben je als ondernemer de op de factuur vermelde btw altijd verschuldigd — punt. Beslaglegging door het OM doet aan die verschuldigdheid niets af. De economische activiteit (de verkoop) had al plaatsgevonden, en daarmee was de belastingschuld een feit.

Daarbij speelde ook de vraag of er sprake was van een overgang van een algemeenheid van goederen, wat btw-vrij kan plaatsvinden. Ook dat argument strandde: het hof oordeelde dat de transacties niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 37d Wet OB 1968. Er was geen sprake van een overgang van een volledig functionerende onderneming als geheel.

Wat betekent dit voor jou?

Ben je MKB-ondernemer die facturen stuurt met btw? Dan is dit arrest een duidelijk signaal dat de Belastingdienst geen genoegen neemt met de redenering dat je de btw niet kunt betalen vanwege externe omstandigheden. Op het moment dat jij btw op een factuur zet, start de verplichting.

Ook de boete in deze zaak is relevant. Het hof oordeelde dat de inspecteur grove schuld had bewezen. Dat is een zwaarder verwijt dan gewone nalatigheid en leidt tot een hogere vergrijpboete. Wat daarbij extra pijn deed: de ondernemer had na de aankondiging van een boekenonderzoek nog geprobeerd zijn aangifte te corrigeren. Dat telde niet als vrijwillige verbetering, omdat die aankondiging er al lag.

Vrijwillige verbetering werkt alleen als je zelf — zonder dat de fiscus al aan de deur klopt — fouten meldt en herstelt. Zodra er een boekenonderzoek is aangekondigd, is dat venster gesloten.

Tot slot: de ondernemer vroeg om een hogere proceskostenvergoeding en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (immateriële schadevergoeding). Beide werden afgewezen. Ook dat is praktisch relevant: rechtszaken over btw-schulden zijn kostbaar, en je haalt die kosten zelden volledig terug via de rechter.

Wat kun je doen?

De kern is: zorg dat je btw-administratie op orde is vóórdat er problemen ontstaan. Breng je btw correct in rekening, draag tijdig af en corrigeer fouten zo snel mogelijk — maar doe dat altijd vóórdat de Belastingdienst contact opneemt.

Staat er een boekenonderzoek op de planning of heb je een aankondiging ontvangen? Neem dan direct contact op met een fiscaal adviseur. In die fase is de manoeuvreerruimte smal, maar niet nul. Een adviseur kan beoordelen of er nog ruimte is voor overleg met de inspecteur of voor een bezwaar- en beroepstraject.

Word je geconfronteerd met beslaglegging door het OM én btw-schulden tegelijk? Dan heb je te maken met een samenloop van straf- en belastingrecht die specialistische begeleiding vereist. Wacht daar niet mee.

Denk je dat een transactie mogelijk kwalificeert als overgang van een algemeenheid van goederen (en dus btw-vrij is)? Laat dat juridisch toetsen vóór de transactie plaatsvindt, niet erna. Achteraf procederen over dat punt, zoals in deze zaak, is kostbaar en zelden succesvol.

Meer informatie over fiscale ondersteuning bij ondernemingsvraagstukken vind je op recht-zeker.nl/ondernemen/.

Veelgestelde vragen

Ben ik btw verschuldigd als het OM beslag heeft gelegd op mijn vermogen?

Ja. Beslaglegging door het OM heeft geen invloed op je btw-verplichting als ondernemer. Op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ben je de btw die je op een factuur vermeldt altijd verschuldigd, ongeacht of je die btw ook daadwerkelijk hebt ontvangen of kunt betalen. Dit bevestigde het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch op 15 juli 2026.

Wat is vrijwillige verbetering bij de Belastingdienst en wanneer geldt het niet?

Vrijwillige verbetering betekent dat je zelf, zonder dat de Belastingdienst al actie heeft ondernomen, een fout in je aangifte meldt en herstelt. Dit kan leiden tot een lagere of geen boete. Vrijwillige verbetering geldt niet meer zodra de Belastingdienst een boekenonderzoek heeft aangekondigd — het corrigeren van je aangifte ná die aankondiging wordt niet als vrijwillig beschouwd.

Wat is een overgang van een algemeenheid van goederen en wanneer is die btw-vrij?

Een overgang van een algemeenheid van goederen is de overdracht van een gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan, waarbij de koper de onderneming als zodanig voortzet. Op grond van artikel 37d Wet OB 1968 is zo’n overdracht vrijgesteld van btw. De overdracht moet betrekking hebben op een functionerend geheel — de verkoop van losse goederen of activiteiten kwalificeert niet.

Heb je vragen over btw-verschuldigdheid, een boekenonderzoek of andere fiscale kwesties rondom jouw onderneming? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-24

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in 2026 opnieuw een duidelijke grens getrokken: een bestuursorgaan dat een bestuurlijke boete oplegt, moet uiterlijk bij het besluit op bezwaar dragend bewijs van de overtreding hebben aangeleverd. Lukt dat niet, dan houdt de boete geen stand. Voor ondernemers die met een bestuurlijke boete worden geconfronteerd, is dit een belangrijk ankerpunt in hun rechtspositie.

Wat houdt dit in?

Dragend bewijs bij een bestuurlijke boete houdt in dat het bestuursorgaan uiterlijk bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming — dus bij het besluit op bezwaar — afdoende bewijs moet hebben geleverd dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maakt hiermee korte metten met een praktijk waarbij bestuursorganen pas tijdens de rechtbankprocedure aanvullend bewijs proberen in te brengen. Dat mag dus niet. Het bewijs moet er al liggen op het moment dat het bezwaar is afgerond en het besluit op bezwaar is genomen.

Dit klinkt logisch, maar in de praktijk komt het regelmatig voor dat een boetebeschikking wordt opgelegd op basis van een summier onderzoek, met de gedachte dat het bewijs later nog wel aangevuld kan worden. De Afdeling zegt: die mogelijkheid bestaat niet. De bewijslast ligt volledig bij het bestuursorgaan, en die last moet tijdig worden waargemaakt.

De uitspraak sluit aan bij het strafrechtelijke uitgangspunt dat de bewijslast bij de vervolgende partij ligt — hier: het bestuursorgaan. Een ondernemer hoeft zijn onschuld niet te bewijzen. Het bestuursorgaan moet de overtreding bewijzen, en dat bewijs moet solide zijn vóórdat de zaak bij de rechter belandt. Meer over deze uitspraak lees je op Mr. Online.

Wat betekent dit voor jou?

Als MKB-ondernemer krijg je mogelijk te maken met bestuurlijke boetes van toezichthouders zoals de Inspectie SZW, de NVWA, de Belastingdienst of de ACM. Het gaat dan om boetes wegens vermeende overtredingen van arbeidsrechtelijke regels, belastingwetgeving, milieueisen of mededingingsregels.

De kern van deze uitspraak is dat jij als ondernemer niet hoeft te accepteren dat een bestuursorgaan tijdens een rechtszaak alsnog met nieuw bewijs op de proppen komt. Maak je bezwaar tegen een boetebeschikking, dan is het besluit op bezwaar het eindpunt van de bestuurlijke fase. Heeft het bestuursorgaan op dat moment geen dragend bewijs, dan is de boete juridisch kwetsbaar.

Dit betekent ook dat jij in bezwaar actief moet controleren welk bewijs het bestuursorgaan feitelijk heeft. Vraag het volledige dossier op, analyseer wat de grondslag van de boete is en stel kritische vragen over de bewijskwaliteit. Doe je dat niet, dan loop je het risico dat zwak bewijs onbesproken blijft.

Voor ondernemers in sectoren met intensief toezicht — denk aan de bouw, horeca, transport of zorg — is dit extra relevant. In die sectoren worden regelmatig bestuurlijke boetes opgelegd na inspectiebezoeken waarbij de verslaglegging niet altijd even grondig is. Deze uitspraak geeft jou als ondernemer een concreet verweer in handen.

Wat kun je doen?

Heb je een boetebeschikking ontvangen, dan is de eerste stap: bezwaar maken binnen de wettelijke termijn van zes weken. Gebruik de bezwaarfase niet alleen om je standpunt te verwoorden, maar stel ook expliciet de vraag of het bestuursorgaan dragend bewijs heeft van de overtreding.

Vraag om een volledig overzicht van het bewijsmateriaal dat aan de boete ten grondslag ligt. Controleer of dat bewijs de overtreding daadwerkelijk onderbouwt of slechts een vermoeden weergeeft. Een boeterapport met vage omschrijvingen of conclusies zonder feitelijke onderbouwing is in het licht van deze uitspraak onvoldoende.

Kom je er in bezwaar niet uit, dan kun je naar de bestuursrechter. Maar de kern van je verweer — het ontbreken van dragend bewijs — moet je al in bezwaar hebben aangevoerd. Anders loop je het risico dat je dit punt in beroep niet meer volledig kunt benutten.

Schakel tijdig juridische hulp in. Een bestuurlijke boete kan fors oplopen en heeft soms ook gevolgen voor je vergunningen of reputatie. Op recht-zeker.nl/ondernemen/ vind je meer informatie over wat Recht Zeker Advies voor jou als ondernemer kan betekenen bij juridische en fiscale kwesties.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet een bestuursorgaan bewijs leveren van een overtreding bij een bestuurlijke boete?

Een bestuursorgaan moet uiterlijk bij het besluit op bezwaar dragend bewijs leveren van de overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd. Bewijs dat pas tijdens de beroepsprocedure bij de rechter wordt ingebracht, is te laat en kan niet meer bijdragen aan de onderbouwing van de boete. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2026 opnieuw bevestigd.

Wat is dragend bewijs bij een bestuurlijke boete?

Dragend bewijs bij een bestuurlijke boete is bewijs dat de overtreding feitelijk en afdoende aantoont, zodat de boetebeschikking daarop zelfstandig kan steunen. Het gaat om concreet, controleerbaar bewijs — geen vermoedens of vage omschrijvingen in een inspectierapport. Als het bewijs niet voldoet aan deze norm, houdt de boete geen stand bij de bestuursrechter.

Kan ik een bestuurlijke boete aanvechten als het bewijs ontbreekt?

Ja, als het bestuursorgaan geen dragend bewijs heeft van de overtreding, is dat een sterke grond om de boete aan te vechten. Maak bezwaar binnen zes weken na de boetebeschikking, vraag het volledige bewijsdossier op en onderbouw in je bezwaar waarom het bewijs onvoldoende is. Slaagt het bezwaar niet, dan kun je dit verweer voortzetten bij de bestuursrechter.

Heb je vragen over een bestuurlijke boete of de bewijslast bij bestuursrechtelijke handhaving? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-21

Verstuur je als belastingplichtige je correspondentie via een adviseur, dan verwacht je dat de Belastingdienst die adviseur ook betrekt bij het verzenden van aanslagen. Rechtbank Den Haag heeft recent geoordeeld dat een termijnoverschrijding bij bezwaar verschoonbaar is als de inspecteur een navorderingsaanslag niet naar de gemachtigde stuurt — terwijl er wél uitvoerig met die gemachtigde gecorrespondeerd is. Dat is een belangrijke uitkomst voor elke ondernemer die via een adviseur communiceert met de fiscus.

Wat houdt dit in?

Een verschoonbare termijnoverschrijding houdt in dat een te laat ingediend bezwaar toch ontvankelijk is, omdat de overschrijding buiten de schuld van de belastingplichtige is ontstaan.

In deze zaak ging het om een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (VPB) over 2019. De belastingplichtige had een gemachtigde — een belastingadviseur — die namens hem alle contacten met de Belastingdienst onderhield. Er was uitvoerige voorafgaande correspondentie tussen de inspecteur en die gemachtigde. Toch stuurde de inspecteur de navorderingsaanslag zelf alleen naar de belastingplichtige, niet naar de adviseur.

De belastingplichtige zag de aanslag daardoor later dan verwacht, waardoor het bezwaar te laat werd ingediend. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Rechtbank Den Haag floot de inspecteur terug: gegeven alle voorafgaande correspondentie met de gemachtigde mocht de belastingplichtige erop vertrouwen dat de aanslag ook naar die adviseur zou gaan. De termijnoverschrijding is onder deze omstandigheden verschoonbaar. De bron van deze uitspraak kun je raadplegen via Taxlive.

De rechtbank oordeelt daarmee dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege had moeten blijven. Het bezwaar wordt alsnog inhoudelijk behandeld.

Wat betekent dit voor jou?

Als MKB-ondernemer werk je waarschijnlijk samen met een accountant of belastingadviseur. Je verwacht dan logischerwijs dat de Belastingdienst die persoon aanspreekt als het om jouw belastingzaken gaat. Maar in de praktijk gaat dit regelmatig mis: aanslagen worden naar het bedrijfsadres gestuurd, terwijl de gemachtigde daar niet automatisch van op de hoogte raakt.

Het gevolg is dat bezwaartermijnen verstrijken zonder dat je of je adviseur het door heeft. En dan staat je ineens met een niet-ontvankelijk bezwaar — terwijl je inhoudelijk misschien een sterke zaak hebt. Deze uitspraak maakt duidelijk dat de Belastingdienst daarin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft, zeker als er al langdurig contact is met een gemachtigde.

Voor ondernemers die worden bijgestaan door een adviseur is dit goed nieuws. Heb je een navorderingsaanslag ontvangen en de bezwaartermijn gemist omdat de aanslag niet bij je adviseur terechtkwam, dan is er dus een reëel argument om toch bezwaar te maken en de termijnoverschrijding verschoonbaar te laten verklaren.

Het is ook een signaal aan adviseurs en gemachtigden: controleer actief of aanslagen en beschikkingen ook aan jullie worden gestuurd, en leg dit zo nodig expliciet vast richting de inspecteur.

Wat kun je doen?

Heb je onlangs een navorderingsaanslag VPB of een andere aanslag ontvangen, maar niet via je adviseur? Controleer dan eerst de dagtekening van de aanslag en bereken zorgvuldig wanneer de bezwaartermijn van zes weken afloopt.

Als die termijn al is verstreken, is het zaak om zo snel mogelijk alsnog bezwaar in te dienen. Onderbouw daarin concreet waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar is: beschrijf de voorafgaande correspondentie met de inspecteur via je gemachtigde en geef aan waarom je er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de aanslag ook naar je adviseur zou worden gestuurd.

Documenteer alles goed: eerdere brieven, e-mails en machtigingen die aantonen dat je adviseur als vast aanspreekpunt gold. Hoe uitvoeriger die correspondentie, hoe sterker je positie — dat blijkt ook uit deze uitspraak van Rechtbank Den Haag.

Stuur ook proactief een machtigingsbrief naar de inspecteur als je dat nog niet gedaan hebt. Daarin leg je vast dat alle correspondentie voortaan naar je adviseur moet worden gestuurd. Dit voorkomt dezelfde situatie in de toekomst.

Heb je hulp nodig bij het beoordelen van je situatie of het opstellen van een bezwaarschrift? Bekijk dan wat Recht Zeker Advies voor je kan betekenen via recht-zeker.nl/ondernemen/.

Veelgestelde vragen

Wat is een verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen een belastingaanslag?

Een verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar houdt in dat de rechtbank of inspecteur het te laat indienen van een bezwaarschrift door de vingers ziet, omdat de overschrijding buiten de schuld van de belastingplichtige is ontstaan. Dat kan het geval zijn als de aanslag naar het verkeerde adres is gestuurd of — zoals in deze zaak — niet naar de gemachtigde is verstuurd terwijl daar alle aanleiding voor was. Het bezwaar wordt dan toch inhoudelijk behandeld.

Moet de Belastingdienst een navorderingsaanslag ook naar mijn belastingadviseur sturen?

Als je een gemachtigde hebt aangesteld en de inspecteur heeft uitvoerig met die gemachtigde gecorrespondeerd, dan mag je er redelijkerwijs op vertrouwen dat aanslagen ook naar die adviseur worden gestuurd. Rechtbank Den Haag heeft in augustus 2026 geoordeeld dat het niet sturen van de navorderingsaanslag naar de gemachtigde onder die omstandigheden voor rekening van de inspecteur komt. Het is wel verstandig om een schriftelijke machtiging bij de Belastingdienst te deponeren zodat dit formeel vaststaat.

Wat moet ik doen als ik de bezwaartermijn voor een navorderingsaanslag VPB heb gemist?

Dien zo snel mogelijk alsnog bezwaar in en onderbouw daarin waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verzamel bewijs van eerdere correspondentie tussen je adviseur en de inspecteur, en leg uit waarom je redelijkerwijs mocht verwachten dat de aanslag ook naar je gemachtigde zou gaan. Laat je hierbij begeleiden door een fiscaal jurist om je kansen zo groot mogelijk te maken.

Heb je vragen over navorderingsaanslagen, bezwaartermijnen of de inzet van een gemachtigde bij fiscale procedures? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-06

Heb je als ondernemer te maken met aanslagen vennootschapsbelasting die je betwist, dan is een verzoek om schadevergoeding niet zomaar een optie. Rechtbank Den Haag heeft recent geoordeeld dat de inspecteur correct heeft gehandeld bij het opleggen van VPB-aanslagen en wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb af. Dit is een belangrijk signaal voor elke ondernemer die overweegt de Belastingdienst aansprakelijk te stellen voor geleden schade. Lees hier de uitspraak via Taxlive.

Wat houdt dit in?

Schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb houdt in dat een belastingplichtige de rechter kan verzoeken om financiële compensatie als een bestuursorgaan, zoals de Belastingdienst, onrechtmatig heeft gehandeld bij het nemen van een besluit.

In deze zaak had een ondernemer schadevergoeding gevraagd omdat hij vond dat de inspecteur bij het opleggen van de VPB-aanslagen fouten had gemaakt. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De reden: de opgelegde aanslagen waren juist en er was geen sprake van onrechtmatig handelen door de inspecteur.

Dat klinkt misschien simpel, maar de juridische drempel voor zo’n schadevergoeding is behoorlijk hoog. Er moet niet alleen sprake zijn van een fout, maar ook van aantoonbare schade die rechtstreeks het gevolg is van dat onrechtmatige handelen. Als de aanslagen inhoudelijk kloppen, valt de basis voor schadevergoeding meteen weg.

De rechtbank bevestigt hiermee dat het fiscale systeem in principe goed functioneert: als de inspecteur zijn werk correct doet, heeft een ondernemer geen recht op compensatie, ook al heeft het bezwaar- of beroepstraject tijd en geld gekost.

Wat betekent dit voor jou?

Als ondernemer met een BV weet je dat VPB-aanslagen een bron van frustratie kunnen zijn, zeker als je het niet eens bent met de berekening of onderbouwing van de Belastingdienst. Toch laat deze uitspraak zien dat een schadeclaim indienen geen automatische vervolgstap is na een succesvol bezwaar of beroep.

Zelfs als een aanslag uiteindelijk wordt verminderd of vernietigd, betekent dat niet dat de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld. Er moet écht sprake zijn van een fout die buiten de marges van behoorlijk bestuur valt. De lat voor het aantonen van onrechtmatigheid ligt hoog in het belastingrecht.

Voor MKB-ondernemers is dit relevant op het moment dat zij overwegen juridische kosten te maken voor een schadevergoedingsprocedure. Als de aanslagen achteraf juist blijken, staan die kosten tegenover een vrijwel zekere afwijzing. Dat is een risico dat je goed moet inschatten voordat je een dergelijk traject ingaat.

Heb je wél gegronde redenen om te vermoeden dat de Belastingdienst echt onrechtmatig heeft gehandeld, dan blijft artikel 8:88 Awb een reële route. Maar dan moet je de onrechtmatigheid concreet kunnen aantonen en onderbouwen, niet alleen het gevoel hebben dat het anders had gemoeten.

Wat kun je doen?

De eerste stap is altijd helder krijgen of de opgelegde aanslag VPB inhoudelijk correct is. Twijfel je? Laat de aanslag beoordelen door een fiscaal jurist voordat je bezwaar maakt of een schadeclaim overweegt. Een goede beoordeling aan de voorkant scheelt veel kosten en teleurstellingen.

Mocht je al in een bezwaar- of beroepsprocedure zitten, zorg dan dat je de communicatie met de Belastingdienst goed documenteert. Als er aantoonbare fouten of vertragingen zijn in het handelen van de inspecteur, kan dat later relevant zijn als je alsnog een verzoek om schadevergoeding wilt indienen.

Overweeg je een schadevergoedingsprocedure op grond van artikel 8:88 Awb, dan is juridisch advies echt onmisbaar. Niet alleen om de haalbaarheid te beoordelen, maar ook om te voorkomen dat je kosten maakt voor een procedure die op voorhand weinig kans maakt. Een fiscaal jurist kan snel beoordelen of jouw situatie voldoende aanknopingspunten biedt.

Bekijk onze diensten voor ondernemers op recht-zeker.nl/ondernemen/ voor meer informatie over hoe wij je kunnen helpen bij fiscale geschillen en procedures tegen de Belastingdienst.

Veelgestelde vragen

Kan ik schadevergoeding claimen als de Belastingdienst een fout maakt bij mijn aanslag VPB?

Je kunt een verzoek om schadevergoeding indienen op grond van artikel 8:88 Awb, maar alleen als de Belastingdienst aantoonbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Als de aanslag inhoudelijk juist blijkt te zijn, wijst de rechter dit verzoek af, ook als het proces voor jou belastend was. Een herstelde of verlaagde aanslag is op zichzelf geen bewijs van onrechtmatig handelen.

Wat is artikel 8:88 Awb en wanneer is het van toepassing?

Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht geeft belastingplichtigen en andere rechtzoekenden de mogelijkheid om de bestuursrechter te vragen om schadevergoeding bij onrechtmatig handelen van een bestuursorgaan. De rechter wijst dit toe als er sprake is van onrechtmatigheid, aantoonbare schade en een causaal verband tussen beide. In belastingzaken wordt dit verzoek regelmatig ingediend maar lang niet altijd toegewezen.

Wat moet ik doen als ik het niet eens ben met een aanslag vennootschapsbelasting?

Als je het niet eens bent met een aanslag vennootschapsbelasting, dien je binnen zes weken na de dagtekening bezwaar in bij de Belastingdienst. Wordt het bezwaar afgewezen, dan kun je in beroep bij de belastingrechter. Een schadevergoedingsprocedure is een afzonderlijke stap die je alleen kunt zetten als je ook onrechtmatig handelen kunt aantonen, niet alleen inhoudelijk verschil van inzicht.

Heb je vragen over een aanslag vennootschapsbelasting of overweeg je een schadevergoedingsprocedure tegen de Belastingdienst? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-05

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan over een ondernemer die haar praktijkruimte als ondernemingsvermogen wilde aanmerken en daarvoor investeringsaftrek en willekeurige afschrijving claimde. De fiscus weigerde dat, en het hof moest beoordelen of die weigering terecht was. Voor ondernemers met een werkruimte thuis of in een ander pand is deze uitspraak direct relevant — bron: Rechtspraak.

Wat houdt dit in?

Ondernemingsvermogen bij een praktijkruimte houdt in dat een ruimte uitsluitend of hoofdzakelijk zakelijk wordt gebruikt én als bedrijfsmiddel op de balans van de onderneming mag worden geactiveerd.

In deze zaak ging het over de aangifte inkomstenbelasting 2018 van een zelfstandig ondernemer. Zij had een praktijkruimte opgenomen op de balans van haar onderneming als bedrijfsmiddel. Daarmee wilde ze aanspraak maken op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en willekeurige afschrijving — twee fiscale voordelen die ondernemers kunnen toepassen op bedrijfsmiddelen.

De Belastingdienst stelde dat de ruimte niet kwalificeerde als ondernemingsvermogen. Het geschil draaide om de vraag of de praktijkruimte in 2018 voldoende zakelijk karakter had om op de balans te mogen staan. Het hof beoordeelde of de ruimte echt dienstbaar was aan de onderneming, of dat er een te grote privécomponent aanwezig was.

Dit onderscheid is cruciaal. Alleen als een ruimte juridisch en fiscaal als ondernemingsvermogen kwalificeert, mag je haar op de balans zetten, over haar afschrijven en aanspraak maken op investeringsaftrek. Zit er een gemengd gebruik in, dan wordt het een stuk ingewikkelder.

Wat betekent dit voor jou?

Als ondernemer met een eigen praktijkruimte, atelier, behandelkamer of andere werkruimte moet je goed kunnen onderbouwen waarom die ruimte tot je ondernemingsvermogen behoort. De Belastingdienst kijkt kritisch naar de feiten en omstandigheden van 2018 — of welk jaar dan ook dat in geschil is.

Gebruik je de ruimte ook privé, of is ze onderdeel van je woning? Dan is de kans groot dat de fiscus betwist dat je de ruimte als bedrijfsmiddel mag behandelen. Zeker voor therapeuten, coaches, fysiotherapeuten en andere zelfstandigen die vanuit een praktijkruimte werken, is dit een gevoelig punt.

De investeringsaftrek en willekeurige afschrijving zijn aantrekkelijke regelingen. Bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kun je een percentage van het investeringsbedrag direct aftrekken van je winst. Willekeurige afschrijving geeft je de vrijheid om zelf te bepalen wanneer je afschrijft, wat handig is voor je liquiditeitsplanning. Als je die aftrekken ten onrechte hebt toegepast, volgt een naheffing — met mogelijk rente en een boete bovenop.

Ben je dga of heb je een bv? Ook dan zijn de regels rondom activering van bedrijfsmiddelen en gebruik van ruimtes strikt. Het is niet vanzelfsprekend dat een pand of deel van een pand automatisch als bedrijfsmiddel kwalificeert. De feitelijke situatie is doorslaggevend.

Wat kun je doen?

Controleer allereerst of de werkruimte die jij op de balans hebt staan daadwerkelijk als ondernemingsvermogen kwalificeert. Dat betekent: is de ruimte duurzaam en hoofdzakelijk in gebruik voor je onderneming, is ze structureel aan het privévertrek onttrokken, en heb je dat ook administratief goed vastgelegd?

Heb je in het verleden investeringsaftrek of willekeurige afschrijving toegepast op een werkruimte? Loop dan je aangifte na — zeker als de Belastingdienst vragen stelt of je een boekenonderzoek verwacht. Hoe sterker je dossier, hoe beter je staat bij een eventuele discussie.

Wil je een nieuwe investering in een praktijkruimte doen en die fiscaal optimaal verwerken? Zorg dan vooraf voor duidelijkheid over de fiscale kwalificatie. Dat voorkomt achteraf discussie over aftrekposten die al zijn meegenomen in je aangifte.

Op recht-zeker.nl/ondernemen/ vind je meer informatie over fiscale kwesties voor ondernemers, van investeringsaftrek tot balansvraagstukken. Een tijdige check scheelt je een hoop gedoe later.

Veelgestelde vragen

Wanneer mag een werkruimte als ondernemingsvermogen op de balans?

Een werkruimte mag als ondernemingsvermogen op de balans als de ruimte hoofdzakelijk en duurzaam wordt gebruikt voor de onderneming, duidelijk is afgescheiden van het privégedeelte van een pand en als bedrijfsmiddel dienstbaar is aan de onderneming. De Belastingdienst beoordeelt dit op basis van de feitelijke situatie, niet alleen op basis van hoe jij de ruimte in je aangifte hebt opgenomen.

Wat is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en wanneer heb ik er recht op?

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een fiscale aftrekpost voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen. Je hebt er recht op als je in een jaar voor een bepaald minimumbedrag investeert in kwalificerende bedrijfsmiddelen die je zakelijk gebruikt. Privémiddelen of ruimtes met een te grote privécomponent tellen niet mee, en als de fiscus de bedrijfsmiddelstatus betwist, vervalt je recht op KIA over die investering.

Wat is willekeurige afschrijving en waarom wordt die soms geweigerd?

Willekeurige afschrijving houdt in dat je als ondernemer zelf bepaalt in welk tempo je een bedrijfsmiddel afschrijft, in plaats van dat je gebonden bent aan een vaste jaarlijkse afschrijving. De regeling wordt geweigerd als het activum niet kwalificeert als bedrijfsmiddel in de zin van de wet — bijvoorbeeld omdat een praktijkruimte niet als ondernemingsvermogen mag worden aangemerkt. Zonder geldige bedrijfsmiddelstatus vervalt ook de grondslag voor willekeurige afschrijving.

Heb je vragen over de fiscale behandeling van een werkruimte, investeringsaftrek of een andere ondernemer-gerelateerde kwestie? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-04

Een vordering die je hebt uitstaan op een verbonden partij en die in waarde daalt — mag je dat afwaarderen ten laste van je fiscale winst? Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 7 juli 2026 in Rechtspraak (ECLI:NL:GHARL:2026:4498) dat een afwaardering van een vordering in dit geval niet aftrekbaar was als buitengewone last in de vennootschapsbelasting. Voor MKB-ondernemers met onderlinge geldstromen binnen een structuur is dit een uitspraak om serieus bij stil te staan.

Wat houdt dit in?

Afwaardering van een vordering in de vennootschapsbelasting houdt in dat een belastingplichtige de waardedaling van een uitstaande lening of vordering ten laste brengt van de belastbare winst, zodat die daling fiscaal aftrekbaar wordt.

In deze zaak probeerde een vennootschap een vordering op een gelieerde partij af te waarderen en dat verlies in aftrek te brengen als buitengewone last. De fiscus weigerde de aftrek. Het hof was het daarmee eens en bevestigde de aanslag.

De kern van het probleem zit in het zogenoemde onzakelijkeleningenleerstuk. Als een lening wordt verstrekt onder voorwaarden die een onafhankelijke derde nooit zou accepteren, dan is sprake van een onzakelijke lening. Het verlies op zo’n lening is fiscaal niet aftrekbaar, omdat het risico in wezen voortkomt uit de aandeelhoudersrelatie en niet uit de normale bedrijfsuitoefening.

Het hof keek naar de omstandigheden waaronder de vordering was ontstaan en geconcludeerd werd dat een onafhankelijke derde dit risico nooit zou hebben aanvaard. De afwaardering kon daardoor niet als buitengewone last worden aangemerkt en bleef buiten de verliesberekening voor de vennootschapsbelasting.

Wat betekent dit voor jou?

Als ondernemer met een holdingstructuur, een deelneming of een dochtervennootschap doe je regelmatig aan onderlinge geldverstrekking. Denk aan een holding die geld doorleent aan een werkmaatschappij, of een aandeelhouder die privé een lening verstrekt aan zijn eigen BV.

Die leningen lijken intern en overzichtelijk, maar fiscaal zitten er haken en ogen aan. Op het moment dat zo’n lening niet terugbetaald kan worden en je als crediteur het verlies wilt aftrekken, gaat de Belastingdienst kritisch kijken of de lening ook echt zakelijk was.

Was er geen zakelijke rente? Geen zekerheden? Geen aflossingsschema? Dan loop je een serieus risico dat het verlies niet aftrekbaar is. Het hof bevestigt in deze uitspraak opnieuw dat de lat voor aftrekbaarheid hoog ligt als de geldverstrekking haar oorsprong vindt in de vennootschappelijke verhouding.

Dit raakt ook situaties waarbij een BV een lening verstrekt aan een zustervennootschap zonder dat daar marktconforme voorwaarden aan verbonden zijn. Het verlies op zo’n lening verdwijnt dan in de doelvermogens van de aandeelhouder, niet in de fiscale winst van de uitlenende BV.

Wat kun je doen?

De eerste stap is je huidige leningenstructuur doorlichten. Heb jij uitstaande vorderingen op verbonden partijen, dan is het verstandig te controleren of die leningen aan zakelijke maatstaven voldoen.

Praktisch betekent dat: leg een zakelijke rente vast (minimaal de rente die een bank ook zou rekenen), zorg voor een schriftelijke leningovereenkomst, stel een aflossingsschema op en bedingen bij voorkeur zekerheden. Hoe meer bewijs je hebt dat de lening op zakelijke gronden is verstrekt, hoe sterker je positie bij een discussie met de Belastingdienst.

Bestaat er al een lopende lening zonder die voorwaarden, dan is het alsnog mogelijk om de voorwaarden aan te passen of de situatie te herstructureren. Dat kost meer moeite dan het vanaf het begin goed inrichten, maar het is beter dan straks een afwaarderingsverlies te missen.

Wordt een vordering op termijn toch oninbaar, denk dan tijdig na over de fiscale kwalificatie. Een zakelijke lening die oninbaar wordt kan worden afgeboekt, maar alleen als je kunt aantonen dat de vordering bij aanvang zakelijk was. Wacht daar niet te lang mee, want het is lastig dat achteraf nog te bewijzen.

Meer weten over de fiscale structuur van jouw onderneming? Op recht-zeker.nl/ondernemen/ vind je meer informatie over hoe wij MKB-ondernemers begeleiden bij dit soort vraagstukken.

Veelgestelde vragen

Wanneer is een afwaardering van een vordering aftrekbaar in de vennootschapsbelasting?

Een afwaardering van een vordering is aftrekbaar in de vennootschapsbelasting als de lening bij aanvang op zakelijke gronden is verstrekt, dat wil zeggen onder voorwaarden die ook een onafhankelijke derde zou hebben aanvaard. Is de lening verstrekt vanuit de aandeelhoudersrelatie en zou een derde het risico nooit hebben genomen, dan is sprake van een onzakelijke lening en is het verlies bij afwaardering niet aftrekbaar.

Wat is een onzakelijke lening en wat zijn de gevolgen voor mijn BV?

Een onzakelijke lening is een lening waarbij het debiteurenrisico zijn oorsprong vindt in de aandeelhoudersrelatie en niet in de normale bedrijfsvoering. Dat is bijvoorbeeld het geval als er geen rente, geen zekerheden en geen aflossingsschema zijn afgesproken, terwijl een bank die lening nooit zou hebben verstrekt. Het gevolg is dat een verlies op zo’n lening niet ten laste van de belastbare winst van de uitlenende BV kan worden gebracht.

Mag een holding geld lenen aan een dochtervennootschap en het verlies aftrekken als de dochter failliet gaat?

Dat hangt volledig af van de voorwaarden waaronder de lening is verstrekt. Als de holding de lening heeft verstrekt op zakelijke voorwaarden, vergelijkbaar met wat een bank zou doen, dan is een verlies bij faillissement van de dochter in beginsel aftrekbaar. Is de lening echter verstrekt zonder rente, zonder zekerheden of op andere niet-marktconforme voorwaarden, dan kwalificeert de lening als onzakelijk en is het verlies fiscaal niet aftrekbaar. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit opnieuw in zijn uitspraak van 7 juli 2026.

Heb je vragen over de fiscale kwalificatie van vorderingen of de inrichting van jouw leningenstructuur? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.


Robin Lammers
 ·  Fiscaal jurist & eigenaar Recht Zeker Advies
 ·  2026-08-04

Werk je mee in de onderneming van je partner zonder dat jij zelf aandeelhouder bent? Dan kan de Belastingdienst toch een gebruikelijk loon aan jou toerekenen. Dat bleek recent uit een uitspraak van Rechtspraak (Gerechtshof Den Haag, 30 juni 2026). De fiscus legde met succes navorderingsaanslagen IB/PVV op aan een man die feitelijk meewerkte in de bv van zijn vrouw.

Wat houdt dit in?

Gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB houdt in dat een werknemer of meewerkende partner die arbeid verricht voor een vennootschap, fiscaal verplicht een minimumloon in aanmerking moet nemen, ook als er in werkelijkheid geen loon wordt uitbetaald.

In deze zaak was de echtgenote 100% aandeelhouder én enig bestuurder van de bv. Haar man verrichtte geen formele functie binnen de vennootschap, maar de Inspecteur stelde dat hij structureel en substantieel werkzaamheden uitvoerde ten behoeve van de bv. Dat is een cruciale vaststelling: het gaat niet om of er een arbeidscontract was, maar om wat er feitelijk gebeurde.

Het hof stelde de Inspecteur in het gelijk. Er was voldoende bewijs dat de man daadwerkelijk meewerkte, waardoor de voorwaarden voor het toerekenen van een gebruikelijk loon vervuld waren. Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen werden opgelegd over meerdere jaren.

Dit laat zien dat de gebruikelijkloonregeling verder reikt dan alleen de directeur-grootaandeelhouder zelf. Ook de partner die achter de schermen meewerkt, valt eronder als de feiten dat uitwijzen.

Wat betekent dit voor jou?

Ben je ondernemer met een bv en werkt je partner mee in de zaak? Dan loop je een serieus risico als dat meewerkende partner geen loon ontvangt of aangeeft. De Belastingdienst kijkt niet alleen naar de aandeelhouderstructuur, maar naar de praktijk. Wie feitelijk arbeid verricht voor de vennootschap, moet in beginsel een gebruikelijk loon verantwoorden.

Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 minimaal 56.000 euro per jaar, tenzij je kunt onderbouwen dat een lager loon gebruikelijk is voor de functie. Als dat bedrag niet als loon is verantwoord, kan de Inspecteur over meerdere jaren navorderen. De rente en eventuele boetes tellen daarbij op.

Ben jij de partner die meewerkt? Dan is de uitspraak ook direct op jou van toepassing. Je kunt worden aangeslagen voor inkomstenbelasting over loon dat je nooit hebt ontvangen. Dat is een hard gevoel, maar het is rechtens correct als de feiten meewerkzaamheden aantonen.

Voor bv-ondernemers met een samenwerkende partner is dit arrest een duidelijk signaal: zorg dat de arbeidsrelatie en beloning op orde zijn, anders doet de fiscus dat later alsnog voor je.

Wat kun je doen?

Werk je samen met je partner in een bv, zorg dan allereerst voor een duidelijke vastlegging van ieders rol. Leg in een arbeidsovereenkomst of managementovereenkomst vast wie wat doet, en welke beloning daarvoor geldt. Dat is geen overbodige papierwinkel, maar essentiële bescherming bij een eventuele controle.

Controleer vervolgens of het loon dat aan jou of je partner wordt uitbetaald voldoet aan de gebruikelijklooneis van 2026. Is het loon lager dan het wettelijke minimum van 56.000 euro? Documenteer dan waarom dat lager loon gebruikelijk is voor vergelijkbare functies buiten de bv. Dat bewijs moet je zelf leveren.

Heb je de afgelopen jaren niets verantwoord, maar was er wel sprake van feitelijke meewerkzaamheden? Wacht dan niet af tot de Inspecteur aanklopt. Vrijwillig verbeteren via een suppletie of herstelmelding kan de schade beperken. Navordering met rente is altijd duurder dan proactief handelen.

Meer weten over hoe je dit fiscaal goed regelt als ondernemer? Kijk dan op recht-zeker.nl/ondernemen/ voor meer informatie en begeleiding op maat.

Veelgestelde vragen

Geldt het gebruikelijk loon ook als mijn partner geen aandeelhouder is van de bv?

Ja, de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB kan ook gelden voor een partner die zelf geen aandeelhouder is, als diegene feitelijk substantiële arbeid verricht voor de vennootschap. Gerechtshof Den Haag bevestigde dit op 30 juni 2026: doorslaggevend is de feitelijke situatie, niet de formele eigendomsverhouding. De Belastingdienst kan in dat geval navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opleggen over meerdere jaren.

Wat is het gebruikelijk loon in 2026?

Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 minimaal 56.000 euro bruto per jaar voor een directeur-grootaandeelhouder of meewerkende partner. Je mag een lager loon hanteren als je kunt aantonen dat een vergelijkbare functie buiten de bv ook minder betaalt, maar de bewijslast ligt bij jou als belastingplichtige. Lukt dat bewijs niet, dan geldt het wettelijke minimumbedrag als uitgangspunt.

Kan de Belastingdienst over meerdere jaren tegelijk navorderen bij gebruikelijk loon?

Ja, de Inspecteur kan navorderingsaanslagen IB/PVV opleggen over meerdere aaneengesloten jaren als blijkt dat er structureel geen gebruikelijk loon is verantwoord. De navorderingstermijn bedraagt in beginsel vijf jaar, maar bij buitenlandse situaties kan dit langer zijn. Over het nagevorderen bedrag wordt ook belastingrente berekend, wat de totale aanslag fors kan verhogen.

Heb je vragen over gebruikelijk loon of een dreigende navorderingsaanslag? Neem dan contact op met Recht Zeker Advies. Wij helpen je graag verder. Neem hier contact op voor een vrijblijvend gesprek.