Een eerlijk proces begint bij gelijke informatie voor beide partijen. Maar uit het rapport Rechtsbescherming in het geding van de Inspectie belastingen, toeslagen en douane blijkt dat de Belastingdienst hier structureel de mist in gaat.
Wanneer burgers of ondernemers bezwaar maken tegen een aanslag en uiteindelijk voor de rechter verschijnen, schrijft de wet voor dat de Belastingdienst alle stukken die op de zaak betrekking hebben moet overleggen. Alleen dan kan de rechter een goed oordeel vellen. Maar wat gebeurt er in de praktijk?
- Stukken verdwijnen uit dossiers: interne e-mails, verslagen of zelfs bewijzen worden niet altijd gearchiveerd of gedeeld.
- Ambtenaren “denken voor de rechter”: zij bepalen zelf welke stukken wel of niet relevant zijn.
- Ongelijke informatiepositie: de burger weet vaak niet eens welke documenten bestaan en kan zich daardoor niet goed verdedigen.
- Weinig reflectie: zelfs als rechters de Belastingdienst corrigeren, wordt er nauwelijks geleerd of verbeterd.
Het gevolg? Burgers en ondernemers worden gedwongen om dure en langdurige procedures te voeren, terwijl de overheid al die tijd een informatievoorsprong heeft. Dat is niet alleen oneerlijk, maar tast de kern van onze rechtsstaat aan.
De conclusie van het rapport is glashelder: zolang de Belastingdienst de kaarten niet volledig op tafel legt, is er geen sprake van een eerlijk proces. En daarmee worden burgers en ondernemers keihard voor de gek gehouden.
Meer lezen: https://www.inspectiebtd.nl/documenten/publicaties/2025/09/02/onderzoeksrapport-rechtsbescherming-in-het-geding
De Eerste Kamer heeft vandaag ingestemd met een wetsvoorstel dat contante betalingen boven €3.000 per transactie verbiedt bij beroeps- of bedrijfsmatige handelaren. Een belangrijke stap in de strijd tegen witwassen – en een wijziging die autobedrijven direct raakt.
Wat is er precies besloten?
- Contante betalingen boven €3.000 zijn verboden bij handelaren in goederen, waaronder ook voertuigen.
- Het verbod geldt voor transacties in en vanuit Nederland.
- Het opsplitsen van betalingen (ook wel ‘smurfen’) om onder de grens te blijven is niet toegestaan.
- Particuliere onderlinge verkopen (bijvoorbeeld via Marktplaats) vallen niet onder dit verbod.
De wet is op 10 juni 2025 aangenomen en gaat naar verwachting in per 1 januari 2026.
Waarom is de grens vastgesteld op €3.000?
De grens van €3.000 sluit aan bij Europese richtlijnen en heeft als doel om het witwassen van geld tegen te gaan. Met dit verbod wil het kabinet voorkomen dat Nederland aantrekkelijk blijft voor contant geldstromen uit criminele activiteiten.
Wat betekent dit voor de autobranche?
- Autohandelaren mogen vanaf 2026 geen contante betalingen boven de €3.000 meer accepteren. Zorg dat klanten hiervan op de hoogte zijn en bied alternatieven (bankoverschrijving, pin).
- Ook bij exporttransacties geldt deze limiet. Zelfs als de koper contant wil betalen bij aflevering: boven de €3.000 is dat straks verboden.
- Het kunstmatig opsplitsen van bedragen over meerdere betalingen of facturen is niet toegestaan. Dit wordt gezien als ontwijking van de wet.
- De Belastingdienst zal handhaven en bij overtreding kunnen boetes volgen. Een sluitende administratie is daarom belangrijker dan ooit.
Wat kun je als autobedrijf doen?
- Informeer je personeel over de nieuwe regels
- Pas je algemene voorwaarden en koopovereenkomsten aan
- Vermeld actief dat contante betalingen boven €3.000 niet meer geaccepteerd worden
- Documenteer de wijze van betaling zorgvuldig in je administratie
Conclusie
Het verbod op grote contante betalingen raakt veel autobedrijven, maar is goed te managen met de juiste voorbereiding. Transparantie, goede communicatie en een sluitende administratie zijn daarbij de sleutel.
De Kennisgroep auto van de Belastingdienst heeft recent duidelijkheid gegeven over een gevoelig punt in de BPM-praktijk: het gebruik van de zogeheten ‘Duitse brief’ bij teruggaaf van BPM bij export. Voor velen in de autobranche is dit belangrijk nieuws. De Duitse brief werd vaak als ‘vaag’ of twijfelachtig beschouwd. Maar nu is het officieel: ook bij korte inschrijving in Duitsland kan deze worden geaccepteerd voor teruggaaf van BPM.
Wat is er beslist?
In het recente standpunt van de Kennisgroep auto wordt bevestigd dat de duur van de inschrijving van een voertuig in Duitsland niet van invloed is op de teruggaafregeling van art. 14a Wet BPM 1992. Met andere woorden: ook als het voertuig slechts korte tijd in Duitsland is ingeschreven, kan nog steeds recht bestaan op BPM-teruggaaf, zolang aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Waarom is dit belangrijk?
De zogeheten Kraftfahrzeugbrief — ook wel “de Duitse brief” genoemd — is een document dat vaak wordt gebruikt bij export. Het probleem: deze werd niet altijd serieus genomen door de Belastingdienst, zeker als de inschrijving maar van korte duur was of via een exportdienstverlener verliep. De angst bestond dat de fiscus dit zou aanmerken als ‘schijnexport’ of onvoldoende bewijs van daadwerkelijke uitvoer.
Dat blijkt nu onterecht. De Belastingdienst erkent nu expliciet dat:
- De tijdsduur van de inschrijving niet relevant is voor de BPM-teruggaaf
- De ‘Duitse brief’ een geldig bewijs is
- De registratie op naam van een export-dienstverlener niet in de weg hoeft te staan
- Zolang het voertuig daadwerkelijk naar Duitsland is overgebracht en aan alle andere voorwaarden is voldaan, de teruggaaf gewoon mogelijk is
Wat betekent dit voor autobedrijven en exporteurs?
Deze uitspraak schept meer rechtszekerheid. Veel handelaren maken gebruik van exportdienstverleners en tijdelijke inschrijving in Duitsland om voertuigen door te verkopen. Tot nu toe was dat juridisch soms grijs gebied. Dankzij dit standpunt weten ondernemers nu dat zij niet automatisch risico lopen, mits zij het proces correct documenteren.
Belangrijke aandachtspunten:
- Bewijs van daadwerkelijke overbrenging naar Duitsland is cruciaal
- De registratie mag niet tijdelijk zijn op papier (denk aan tijdelijke kentekens)
Conclusie
De acceptatie van de Duitse brief, ook bij korte inschrijving, is een positieve ontwikkeling voor exporteurs en autobedrijven die actief zijn in de internationale handel. Het biedt helderheid én kansen, mits je werkt volgens de regels.
The Wheel House houdt deze fiscale ontwikkelingen scherp in de gaten. Wij adviseren klanten proactief over teruggaafprocedures, BPM-aanvragen en grensoverschrijdende autohandel. Zo voorkom je problemen en benut je elke fiscale kans die er is.
Op 22 mei 2025 deed de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak in een geschil over de BPM bij de import van een gebruikte auto (ECLI:NL:RBNNE:2025:1977). Wat begon als een technische discussie over de juiste waardering van een voertuig, eindigde in een uitspraak die mogelijk veel stof doet opwaaien. Vooral de manier waarop de rechtbank omgaat met artikel 110 VWEU en de eisen rondom typegoedkeuring en gelijksoortigheid roept vragen op.
Waar de Hoge Raad recent nog een duidelijke lijn uitzette, lijkt de rechtbank hier toch haar eigen koers te varen. En dat zorgt voor verwarring, maar ook voor kansen.
Wat speelde er?
Een belastingplichtige had een gebruikte auto geïmporteerd. De Belastingdienst verwierp deze aangifte omdat het referentievoertuig volgens hen niet voldoende overeenkwam met de geïmporteerde auto.
Centraal stond de vraag: wanneer is een referentievoertuig “gelijksoortig” in de zin van de wet en artikel 110 VWEU?
Wat zegt de rechtbank?
De rechtbank wijkt op een belangrijk punt af van wat we tot nu toe gewend zijn. Ze oordeelt dat een verschil in typegoedkeuring, inclusief een ander uitbreidingsnummer, niet automatisch betekent dat het voertuig niet gelijksoortig is. Daarmee laat ze meer ruimte om voertuigen op basis van feitelijke kenmerken te vergelijken, zoals merk, uitvoering en motorisering, ook als de formele goedkeuringsnummers verschillen.
Dat is opvallend, want de Hoge Raad stelde vorig jaar nog dat wél exact dezelfde EU-typegoedkeuring vereist is. Die uitspraak had juist tot doel meer rechtszekerheid te bieden, door vast te houden aan objectieve, technische criteria.
Artikel 110 VWEU als zelfstandig anker
De rechtbank benadrukt bovendien dat artikel 110 VWEU, dat fiscale discriminatie van buitenlandse producten verbiedt, rechtstreeks kan worden ingeroepen, ook als nationale regels daar geen ruimte voor bieden. Als een belastingplichtige aantoont dat zijn voertuig zwaarder wordt belast dan een vergelijkbare binnenlandse auto, dan moet dat worden gecorrigeerd.
Dat betekent dat artikel 110 VWEU in deze benadering niet slechts een vangnet is, maar een zelfstandig ijkpunt voor de rechtmatigheid van de BPM-heffing.
Praktische gevolgen
Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor de BPM-praktijk:
- Belastingplichtigen hebben meer ruimte om een gunstige taxatie aan te tonen, zelfs zonder exacte technische overeenstemming.
- Artikel 110 VWEU krijgt een prominentere rol als rechtsgrond voor lagere BPM-heffing.
- Taxateurs en adviseurs kunnen breder zoeken naar referentieauto’s, mits onderbouwd met objectieve waardebepalingen.
De vrijheid die de rechtbank hier aanreikt, kan in bezwaarprocedures strategisch worden benut.
Maar er is ook reden tot voorzichtigheid
Tegenover die kansen staan ook juridische zorgen. De benadering van de rechtbank staat niet geheel in lijn met de recente uitspraak van de Hoge Raad, die duidelijk striktere eisen stelde aan gelijksoortigheid. Het is dus onzeker of hogere rechters deze koers zullen volgen of juist terugfluiten.
Belastingplichtigen doen er verstandig aan om zich goed bewust te zijn van dit spanningsveld. Want hoewel deze uitspraak op papier gunstig lijkt, is het niet gegarandeerd dat deze benadering standhoudt in hoger beroep of cassatie.
Conclusie
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland opent de deur naar een soepelere BPM-taxatie op basis van het Europese recht. Tegelijkertijd wijkt ze op cruciale punten af van de lijn van de Hoge Raad. Dat maakt het dossier BPM opnieuw onderwerp van discussie en voorlopig nog geen uitgemaakte zaak.
Voor wie actief is in automotive, fiscaliteit of bezwaarprocedures laat je deugdelijk adviseren op dit punt en vaar niet blind op de eerste de beste uitspraak. Voor wie actief is bij bijvoorbeeld de Belastingdienst of rechtspraak, zorg alsjeblieft eens voor duidelijkheid voor de ondernemers in automotive land. Uitspraken als deze zorgen weer voor een hoop onzekerheid en mogelijk veel procedures.