Recht Zeker

Belastingdienst accepteert Duitse brief bij BPM-teruggaaf: dit verandert er echt

De Kennisgroep auto van de Belastingdienst heeft recent duidelijkheid gegeven over een gevoelig punt in de BPM-praktijk: het gebruik van de zogeheten ‘Duitse brief’ bij teruggaaf van BPM bij export. Voor velen in de autobranche is dit belangrijk nieuws. De Duitse brief werd vaak als ‘vaag’ of twijfelachtig beschouwd. Maar nu is het officieel: ook bij korte inschrijving in Duitsland kan deze worden geaccepteerd voor teruggaaf van BPM.

Wat is er beslist?

In het recente standpunt van de Kennisgroep auto wordt bevestigd dat de duur van de inschrijving van een voertuig in Duitsland niet van invloed is op de teruggaafregeling van art. 14a Wet BPM 1992. Met andere woorden: ook als het voertuig slechts korte tijd in Duitsland is ingeschreven, kan nog steeds recht bestaan op BPM-teruggaaf, zolang aan de overige voorwaarden wordt voldaan.

Waarom is dit belangrijk?

De zogeheten Kraftfahrzeugbrief — ook wel “de Duitse brief” genoemd — is een document dat vaak wordt gebruikt bij export. Het probleem: deze werd niet altijd serieus genomen door de Belastingdienst, zeker als de inschrijving maar van korte duur was of via een exportdienstverlener verliep. De angst bestond dat de fiscus dit zou aanmerken als ‘schijnexport’ of onvoldoende bewijs van daadwerkelijke uitvoer.

Dat blijkt nu onterecht. De Belastingdienst erkent nu expliciet dat:

  • De tijdsduur van de inschrijving niet relevant is voor de BPM-teruggaaf
  • De ‘Duitse brief’ een geldig bewijs is
  • De registratie op naam van een export-dienstverlener niet in de weg hoeft te staan
  • Zolang het voertuig daadwerkelijk naar Duitsland is overgebracht en aan alle andere voorwaarden is voldaan, de teruggaaf gewoon mogelijk is

Wat betekent dit voor autobedrijven en exporteurs?

Deze uitspraak schept meer rechtszekerheid. Veel handelaren maken gebruik van exportdienstverleners en tijdelijke inschrijving in Duitsland om voertuigen door te verkopen. Tot nu toe was dat juridisch soms grijs gebied. Dankzij dit standpunt weten ondernemers nu dat zij niet automatisch risico lopen, mits zij het proces correct documenteren.

Belangrijke aandachtspunten:

  • Bewijs van daadwerkelijke overbrenging naar Duitsland is cruciaal
  • De registratie mag niet tijdelijk zijn op papier (denk aan tijdelijke kentekens)

Conclusie

De acceptatie van de Duitse brief, ook bij korte inschrijving, is een positieve ontwikkeling voor exporteurs en autobedrijven die actief zijn in de internationale handel. Het biedt helderheid én kansen, mits je werkt volgens de regels.

The Wheel House houdt deze fiscale ontwikkelingen scherp in de gaten. Wij adviseren klanten proactief over teruggaafprocedures, BPM-aanvragen en grensoverschrijdende autohandel. Zo voorkom je problemen en benut je elke fiscale kans die er is.

Op 22 mei 2025 deed de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak in een geschil over de BPM bij de import van een gebruikte auto (ECLI:NL:RBNNE:2025:1977). Wat begon als een technische discussie over de juiste waardering van een voertuig, eindigde in een uitspraak die mogelijk veel stof doet opwaaien. Vooral de manier waarop de rechtbank omgaat met artikel 110 VWEU en de eisen rondom typegoedkeuring en gelijksoortigheid roept vragen op.

Waar de Hoge Raad recent nog een duidelijke lijn uitzette, lijkt de rechtbank hier toch haar eigen koers te varen. En dat zorgt voor verwarring, maar ook voor kansen.

Wat speelde er?

Een belastingplichtige had een gebruikte auto geïmporteerd. De Belastingdienst verwierp deze aangifte omdat het referentievoertuig volgens hen niet voldoende overeenkwam met de geïmporteerde auto.

Centraal stond de vraag: wanneer is een referentievoertuig “gelijksoortig” in de zin van de wet en artikel 110 VWEU?

Wat zegt de rechtbank?

De rechtbank wijkt op een belangrijk punt af van wat we tot nu toe gewend zijn. Ze oordeelt dat een verschil in typegoedkeuring, inclusief een ander uitbreidingsnummer, niet automatisch betekent dat het voertuig niet gelijksoortig is. Daarmee laat ze meer ruimte om voertuigen op basis van feitelijke kenmerken te vergelijken, zoals merk, uitvoering en motorisering, ook als de formele goedkeuringsnummers verschillen.

Dat is opvallend, want de Hoge Raad stelde vorig jaar nog dat wél exact dezelfde EU-typegoedkeuring vereist is. Die uitspraak had juist tot doel meer rechtszekerheid te bieden, door vast te houden aan objectieve, technische criteria.

Artikel 110 VWEU als zelfstandig anker

De rechtbank benadrukt bovendien dat artikel 110 VWEU, dat fiscale discriminatie van buitenlandse producten verbiedt, rechtstreeks kan worden ingeroepen, ook als nationale regels daar geen ruimte voor bieden. Als een belastingplichtige aantoont dat zijn voertuig zwaarder wordt belast dan een vergelijkbare binnenlandse auto, dan moet dat worden gecorrigeerd.

Dat betekent dat artikel 110 VWEU in deze benadering niet slechts een vangnet is, maar een zelfstandig ijkpunt voor de rechtmatigheid van de BPM-heffing.

Praktische gevolgen

Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor de BPM-praktijk:

  • Belastingplichtigen hebben meer ruimte om een gunstige taxatie aan te tonen, zelfs zonder exacte technische overeenstemming.
  • Artikel 110 VWEU krijgt een prominentere rol als rechtsgrond voor lagere BPM-heffing.
  • Taxateurs en adviseurs kunnen breder zoeken naar referentieauto’s, mits onderbouwd met objectieve waardebepalingen.

De vrijheid die de rechtbank hier aanreikt, kan in bezwaarprocedures strategisch worden benut.

Maar er is ook reden tot voorzichtigheid

Tegenover die kansen staan ook juridische zorgen. De benadering van de rechtbank staat niet geheel in lijn met de recente uitspraak van de Hoge Raad, die duidelijk striktere eisen stelde aan gelijksoortigheid. Het is dus onzeker of hogere rechters deze koers zullen volgen of juist terugfluiten.

Belastingplichtigen doen er verstandig aan om zich goed bewust te zijn van dit spanningsveld. Want hoewel deze uitspraak op papier gunstig lijkt, is het niet gegarandeerd dat deze benadering standhoudt in hoger beroep of cassatie.

Conclusie

De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland opent de deur naar een soepelere BPM-taxatie op basis van het Europese recht. Tegelijkertijd wijkt ze op cruciale punten af van de lijn van de Hoge Raad. Dat maakt het dossier BPM opnieuw onderwerp van discussie en voorlopig nog geen uitgemaakte zaak.

Voor wie actief is in automotive, fiscaliteit of bezwaarprocedures laat je deugdelijk adviseren op dit punt en vaar niet blind op de eerste de beste uitspraak. Voor wie actief is bij bijvoorbeeld de Belastingdienst of rechtspraak, zorg alsjeblieft eens voor duidelijkheid voor de ondernemers in automotive land. Uitspraken als deze zorgen weer voor een hoop onzekerheid en mogelijk veel procedures.

Het ministerie van Financiën is een internetconsultatie gestart over een wijziging in de regels voor de bpm-aangifte bij import van gebruikte auto’s. De voorgestelde maatregelen zijn gericht op meer transparantie, controleerbaarheid en het tegengaan van oneerlijke praktijken. Importeurs, taxateurs en autobedrijven doen er goed aan om alert te zijn: de spelregels lijken op korte termijn te veranderen.

Wat is er aan de hand?

Bij de eerste registratie van een gebruikte auto in Nederland moet bpm worden betaald. Die belasting is gebaseerd op de waardevermindering van de auto en die waarde mag je bepalen via een koerslijst, een leeftijdstabel of een taxatierapport.

Maar de overheid vindt dat die waardebepaling te vaak oneerlijk of ondoorzichtig gebeurt. Daarom worden drie ingrijpende wijzigingen voorgesteld.

Transparantie in koerslijsten

Koerslijsten moeten voortaan aantoonbaar gebaseerd zijn op echte, recente handelsprijzen van vergelijkbare voertuigen in Nederland. Daarbij moet duidelijk zijn:

  • Welke auto’s zijn als referentie gebruikt?
  • Voor welke bedragen zijn ze verhandeld?
  • Welke kenmerken en condities zijn meegenomen?

Een koerslijst wordt daarmee geen black box meer, maar een toetsbare bron.

Inkoopprijs als uitgangspunt — onder voorwaarden

Voor lastig te vergelijken voertuigen, zoals schadeauto’s of zeldzame modellen, mag de koerslijst onder voorwaarden ook de inkoopprijs als uitgangspunt nemen. Maar er komt een rem op waarderen, de afgeleide bpm mag maximaal 25% afwijken van de standaardtabel. Zo wordt voorkomen dat er een ongelijk speelveld ontstaat of fraude wordt gepleegd.

Taxaties worden strenger beoordeeld

Een taxatierapport mag straks niet lager uitvallen dan de inkoopprijs, tenzij de importeur duidelijk aantoont waarom dat gerechtvaardigd is. De Belastingdienst ziet in de praktijk te vaak dat dure auto’s extreem laag worden getaxeerd om de bpm te drukken.

Waarom deze wijzigingen?

Volgens de overheid zijn de maatregelen nodig om de bpm-heffing eerlijker te maken, misbruik te beperken en het vertrouwen in het systeem te behouden. Daarnaast wil men voorkomen dat importeurs die creatief waarderen een concurrentievoordeel behalen op de binnenlandse markt.

De internetconsultatie loopt tot en met 25 mei 2025. Daarna kunnen de regels officieel worden aangepast.

Wat betekent dit voor jouw praktijk?

Ben je actief in auto-import, bied je taxaties aan of gebruik je koerslijsten voor bpm-berekeningen? Dan is het verstandig om:

  • Je werkwijze tegen het licht te houden
  • Te anticiperen op strengere controles
  • Te investeren in onderbouwde waardebepalingen

Conclusie: bpm-taxatie wordt serieuzer werk

De vrijblijvendheid rond koerslijsten en taxatierapporten lijkt voorbij. Wie werkt met bpm-aangiften moet zich voorbereiden op meer transparantie, minder speelruimte en strakkere regelgeving. Wij informeren onze klanten tijdig, passen onze dienstverlening aan zodra dat nodig is, en zorgen ervoor dat jij altijd werkt met de juiste informatie en aanpak. Heb je vragen of wil je weten wat dit voor jouw situatie betekent? Neem gerust contact met ons op.

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad bevestigd dat een Ferrari, ondanks een kilometerstand van 510 kilometer, nog steeds als nieuw wordt aangemerkt voor de BPM-berekening. Deze beslissing volgt op een eerder oordeel van het Hof dat stelde dat de geringe gereden afstand onvoldoende is om de auto als gebruikt te classificeren.

Volgens de Hoge Raad blijft het voertuig in fiscale zin ‘nieuw’ als de auto niet eerder in gebruik is genomen in Nederland of een andere EU-lidstaat. Dit geldt zelfs als het voertuig al een paar honderd kilometer op de teller heeft staan, zoals in dit geval van de Ferrari. De volledige nieuwprijs blijft daarom de basis voor de BPM-heffing. Dit bevestigt eerdere jurisprudentie waarin het aantal gereden kilometers als niet doorslaggevend wordt gezien.

Belangrijke Implicaties voor de BPM

De uitspraak heeft vooral gevolgen voor personen die zeldzame, luxe auto’s uit het buitenland willen importeren. Een gebruikte auto betaalt minder BPM, omdat de belasting bij gebruikte voertuigen wordt afgeschreven op basis van het daadwerkelijke gebruik en de waardedaling. Echter, in gevallen zoals deze, waar de auto slechts licht is gebruikt, blijft de volledige BPM-heffing van toepassing, wat onverwachte kosten kan opleveren voor de importeur of koper.

Deze zaak benadrukt hoe strikt de Nederlandse belastingdienst de definitie van ‘nieuw’ hanteert bij het berekenen van BPM. Importeurs en autobezitters moeten zich ervan bewust zijn dat een lage kilometerstand niet per se betekent dat de auto als ‘gebruikt’ wordt beschouwd, met mogelijk financiële gevolgen bij de invoer of doorverkoop van dergelijke voertuigen.

In een recente uitspraak heeft de rechter bepaald dat een VW Golf met 6 kilometer op de teller, die tijdens het transport lichte schade opliep, nog steeds als een nieuwe auto moet worden aangemerkt voor de berekening van de BPM (Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen). Dit betekent dat de BPM moet worden berekend op basis van de volledige nieuwprijs, zonder rekening te houden met de transportschade.

Het Belang van de Nieuwstatus

De uitspraak is van groot belang voor particulieren en autohandelaren die overwegen om voertuigen te importeren. In Nederland is de BPM gebaseerd op de nieuwprijs van het voertuig, en als een auto als ‘nieuw’ wordt beschouwd, zal de BPM aanzienlijk hoger zijn dan bij een ‘gebruikt’ voertuig. De rechter oordeelde dat de transportschade niet genoeg was om de auto als ‘gebruikt’ te classificeren, waardoor de importeur niet kon profiteren van een lagere BPM.

Impact op Importeurs en Handelaren

Deze uitspraak heeft verstrekkende gevolgen voor de auto-import. Handelaren en particulieren moeten rekening houden met het feit dat lichte schade tijdens het transport niet voldoende is om de auto als ‘gebruikt’ te beschouwen voor fiscale doeleinden. Dit kan resulteren in onverwacht hoge kosten bij de import van voertuigen naar Nederland.